De pest in Wenen
Er was eens een Weense minnestreel die, omdat hij nogal een dronkenlap was, zelfs niet het zout op zijn patatten verdiende. Zij naam was Marcus Augustine. Iedere dag dronk hij zich compleet Lazarus en sliep hij straalbezopen zijn roes uit op de straat.
In die dagen (we schrijven het jaar 1679) heerste de pest in Wenen en werden de doden ’s avonds langs de straten gelegd zodat de lijken ’s nachts vlug, vlug op de daartoe voorbij rijdende karren konden worden gegooid en de doden zo snel als ook maar enigszins mogelijk was uit de stad konden worden weggevoerd. Vermits de pest een zeer besmettelijke ziekte is, was dit een job die werd gemeden als de pest. Kortom niemand wou er zijn brood aan verdienen. Daarom werden de gevangenen verplicht deze klus te klaren.
Op een nacht werd de dronken Augustine als pestdode aanzien en werd hij samen met de lijken op de kar gegooid en buiten de stad gevoerd. Het was toen gebruikelijk om zo’n massagraf niet onmiddellijk dicht te gooien maar met kalk te bedekken zodat de pestkuil nog voor later aangevoerde doden kon dienst doen. Een geluk met een ongeluk dus voor Augustine die op tijd wakker werd zodat hij zich zich van tussen de doden vandaan kon wurmen.
Raar maar waar … Augustine werd na deze vergissing niet ziek en daar kon maar één verklaring voor zijn : alcohol bleek plots een volks vaccin te zijn tegen de pest.
Geen wonder dus dat Augustine dank zij zijn hachelijk avontuur erg geliefd werd en daar zag hij dan weer brood in. Hij componeerde over zichzelf een liedje waarmee hij steenrijk werd.
Dit hele verhaal krijgen we te horen ter hoogte van de barokke pestzuil in de voetgangersstraat Graben. Want alcohol bleek dan toch niet zo’n probaat middel te zijn tegen de pest. Daarom deed de toenmalige keizer Leopold I een belofte. Mocht Wenen verlost worden van de pest dan zou hij uit pure dankbaarheid de opdracht geven om een zuil te bouwen. En zo geschiedde …

Op de zuil is te zien hoe de pest in de gedaante van een heks vernietigd wordt en dit in aanwezigheid van een heilige en een engel. Intussen zit de biddende keizer Leopold I er vooral heel erg vroom te wezen.
Het moet zijn dat de zuil niet imposant genoeg was want vierendertig jaar later brak er weer een pestepidemie uit in de stad. Deze keer was het de beurt aan keizer Karel VI om beloftes te doen. Hij nam naar ik vermoed, het zekere voor het onzekere en zag de dingen grootser dan zijn voorganger. Hij beloofde een kerk te zullen bouwen ter ere van de pestheilige Carolus Borromaeus, gewezen aartsbisschop van Milaan.

Mocht je net als ik de pest hebben aan Sissi, ga dan eens op zoek naar de herinneringen aan de pest
in de stad.

Reacties