Rijk is Egypte (Wanneer de zon de horizon kust)
We
waren piepjong en we wilden de wereld zien in een tijd dat dat nog niet
voor iedereen was weggelegd. Een student ging nog niet op Erasmus. Je
was een uitzondering als je aan een uitwisselingsprogramma mee deed.
Hooguit kwam er een meisje uit het toen zeer woelige Noord-Ierland een
keertje bij je thuis op adem komen en zo hoorde je eens hoe mensen
elders wat van hun leven probeerden te maken.
We wilden een reis ondernemen die niemand in die dagen ondernam
tenzij dan de behoorlijk kapitaalkrachtigen. Maar wie jong is, is dat
per definitie niet.
Ik wou de piramiden zien en de vele tempels die Egypte rijk is. We waren nog aan niets of niemand gebonden en dus spaarden we ons te pletter voor datgene wat we – zo dachten we toen althans – nooit of te nimmer in ons latere leven zouden kunnen ondernemen. Het had zoiets van “Napels zien en dan sterven”. Al kozen wij dus voor Caïro.
Wisten wij veel dat een reis naar Egypte jaren later spot goedkoop zou worden waardoor massatoerisme op gang kwam en dat het land daarna opgeschrikt zou worden door terreuraanslagen waardoor je vandaag de dag werkelijk aan dumpingprijzen naar Egypte kan.
Toch ben ik blij dat we ons toen te pletter hebben gespaard voor een reis die we ons nauwelijks konden permitteren. Egypte was nog ongerept, de Nijl afvaren kon nog zonder er met de cruiseboot in de file te staan. Er waren souvenirs, jawel … maar de stalletjes waren schaars, zeer schaars.
Ik denk niet dat ik ooit nog naar Egypte terugkeer. Het prachtige, ongerepte beeld dat ik er van heb, wil ik niet verpesten door andere …

Maar ik wil mijn beeld van toen wel met jullie delen want wie weet inspireert het jullie om alle terreur ten spijt, toch eens een reis erheen te maken. De Egyptenaar verdient jullie aandacht. Al was het maar omdat zijn verleden zo groots is geweest

Mijn verslag van toen heeft een heel andere stijl dan die die ik nu hanteer. Ik had ook overduidelijk nog helemaal geen reiservaring. Maar ik hoop toch dat jullie er zullen van genieten.
Het andere Egypte (anno 1986)
Het is duidelijk dat nogal wat Egyptenaren in armoede leven. Daarom ook dat zij – als het even kan – zo graag een graantje mee willen pikken. Dat merken we ook in de Vallei der Koningen. In de verzengende hitte bezoeken we er een aantal koningsgraven zoals onder andere dat van Toetankhamon.
Niet alle koningsgraven zijn verlicht. Maar daar heeft een man in galabia wat op gevonden. Om een zakcentje bij te verdienen heeft hij zich met een roestige emmer en een oud stuk spiegel voor de ingang van een onverlicht graf geïnstalleerd. Zijn spiegel staat bovenop de emmer zodanig naar de zon gericht dat de zonnestralen tot diep in de grafkamer binnenvallen.
Op die manier krijgen we toch het graf te zien. In ruil voor baksjiesj natuurlijk. Maar oh jee wat een ramp! Een man uit ons gezelschap is onwel geworden door de loden hitte en zwijmelt recht tegen de emmer aan waardoor het toch al zo kleine stuk spiegel met een rinkelend lawaai van de emmer dondert. De spiegel is onbruikbaar nu. Zelfs met extra baksjies en duizend excuses is de man ontroostbaar.
Wanneer we de volgende dag dan toch een calèche instappen moet eerst
lang over de prijs worden bedisseld. Uiteindelijk wil de man ons voor
acht pond een half uur door de Soeks rijden. Er heerst een enorme drukte
in de nauwe winkelstraatjes. Een kleermaker glimlacht vanachter een
oude naaimachine in onze richting. Een kapper scheert een baard weg in
een piepklein, smoezelig salonnetje.
Wat verderop staan twee mannen linnen te strijken… Onze voerman ruikt zaken en stopt voor een rommelige pand dat hij fier als zijn winkel voorstelt. Het kost ons heel wat moeite eer hij weer verder wilt. De straten worden smaller, rommeliger, viezer. Met de calèche kunnen wij er niet eens meer in. Er hangt een doordringende geur van urine en de miniatuurwinkeltjes zijn zo smerig en grauw, dat we niet eens kunnen onderscheiden wat er te kopen valt.
Terug bij de kade ontdekken we een oude boot dat als papyrusmuseum is ingericht. Op dit uur van de dag zijn er geen bezoekers en de opzichter lijkt blij verrast met onze aanwezigheid. Hij troont ons mee naar een stel oude badkuipen waarin papyrusplanten liggen. Als een volleerd pantomime speler toont hij ons de verschillende stappen bij de bewerking van papyrus.
Na de “vertoning” worden we naar boven geduwd waar een soort winkelruimte is ingericht. Om de verkoop te stimuleren biedt hij ons een verfrissing aan. De karkadee is inderdaad koel, maar op het beduimeld glas staan zoveel lippen dat we het wijs achten onze verfrissing discreet in een plantenbak te gieten.

Wanneer we de bus opklauteren om de reusachtige tempels van Karnak en Luxor te gaan bekijken, komt een onooglijk jongetje naar ons toe geslenterd. Hij zit er hoogst aandoenlijk uit. Een dame uit ons gezelschap voelt haar hart weg smelten en geeft het jongetje een paar oude sandalen.
Het gezichtje klaart op maar plots komt een heel leger straatrakkers aanzetten, de zoom van hun galabia’s tussen de tanden gestopt. Een kleine straatoorlog wordt ontketend. Pas als die uit de hand dreigt te lopen komt een slungelachtige man er zich mee bemoeien.
Met stenen gooit hij de vechtersbazen uit elkaar. De bengels stuiven uiteen. Het jongetje blijft alleen achter, één sandaal stevig tegen zich aangedrukt, de andere is spoorloos. Met wanhopige blik kijkt hij in onze richting.
Terwijl de bus zich in beweging zet ,zien we hoe het kereltje hartverscheurend begint te huilen. Onze “milde schenkster” huilt bijna mee. Ze voelt zich eindeloos schuldig.
De tempels zijn werkelijk prachtig, maar als we ze ’s avonds, tijdens
het klank en lichtspel, nogmaals bewonderen zetten de muzelmannen hun
gebeden in. Huilende honden gaan mee in gebed. We begrijpen nu waarom
Aïda, de opera van Verdi, hier een flop werd. Dit klagelijke het gezang
overstijgt werkelijk alles.
Telkens we met de bus op uitstap gaan, liggen de venters op vinkenslag. Het duurt ook altijd eindeloos eer we vertrekken of mogen uitstappen. Het is een tactische zet van de chauffeur om de bevriende kooplieden ruim de kans te geven een verscheidenheid aan beeldjes en sieraden aan de man te brengen.
Met wijde gebaren en zenuwachtige stemmen proberen zij hun waar te verkopen. Soms echter zeggen zij helemaal niets en kijken zij ons met zulke weemoedige ogen aan dat we capituleren. We kopen, niet omdat we dat willen, maar omdat smekende ogen er ons toe dwingen. Zo ook in Thebe. De dodenstad aan de overkant van de Nijl ligt in de blakende zon.
Ondanks de verzengende hitte, komen mannen met de meest uiteenlopende
beeldjes in de hand rondom onze bus drummen. Iemand vraagt £ 70 voor
een onmogelijke sarcofaagje.
We moeten af pingelen en pas als we het onding kunnen kopen voor drie pond, schuiven we het raampje open. Smoezelige vingers tasten in het rond tot ze bankbiljetten voelen. Met schichtige bewegingen brengt de man het geld naar hoofd en borst en kust het.
Het beeldje lijkt nergens naar en even later zien we hoe een reisgezel een sigaret weggeeft in ruil voor eenzelfde soort sarcofaagje. Ondanks ons grandioos gepingel, voelen wij ons nog bedrogen.

Caïro, de wereldstad met de 1000 minaretten, lijkt ons één grote vuilnisbelt. Huizen liggen er bij alsof hier gisteren een aardbeving gebeurde. Onbruikbare, niet te definiëren rommel, wordt gewoon op buurmans dak gegooid.
Midden in het centrum staat een kudde schapen, de ruggen met roze verf gemerkt, te wachten om geslacht te worden. In een zijstraat zien we kippen in een vieze brij rond pikken. Mannen hollen, zoals in comedy-capers-filmpjes, achter overvolle bussen aan. Auto’s zigzaggen zich luid toeterend een weg doorheen de heksenketel.
We zijn blij als we heelhuids de bus kunnen verlaten om onder een brandende zon de citadel van Saladin te beklimmen voor een bezoek aan de moskee van Mohammed Ali. Onze reisgids schrijft dat een Oosters sprookje zich voor onze ogen zal ontrollen. We zijn nieuwsgierig maar worden enigszins ontgoocheld omdat we er geen flauw benul van hadden dat sprookjes zo stoffig kunnen zijn.
Een reisgezel komt naar ons toe en toont ons een prentkaart waarop het het interieur met fonkelende kroonluchter staat afgebeeld. “Deze prent is al jaren oud”, zegt hij met overtuigende stem. Op onze vraag waarom hij daar zo zeker van is, steekt hij zijn wijsvinger in de lucht. Boven onze hoofden hangt de enorme kroonluchter bedekt met een ongehoord dikke stoflaag. We knikken begrijpend en banen ons doorheen de stoffige mist en langsheen slapende mannen een weg naar buiten.
Ook het Egyptisch Nationaal Museum is een stoffige en rommelige toestand. Beeldengroepen, sarcofagen, zonneboten, … staan kriskras door elkaar. Onze gids vertelt ons dat, toen het museum in 1900 geopend werd, men er geen idee van had hoeveel kunstschatten er nog zouden gevonden worden. De collectie groeide echter enorm aan en zorgde voor een schrijnend plaatsgebrek. Vandaar de wanorde. We knikken begrijpend maar merken toch op dat een stofdoek ook al wonderen zou doen.

Wanneer we echter de eerste verdieping bereiken en we overstelpt worden door de wereldberoemde schatten uit het kleine rotsgraf van Toetankhamon te Thebe, vergeten we de rommel. Wat we zien valt niet te verwoorden: gouden schrijnen, bedden, vazen, sieraden,…
Het is allemaal even schitterend.
En dan is er het dodenmasker, de gouden pracht van de te jong gestorven farao. Iemand wringt zich in een onmogelijke bocht in een poging dit meesterwerk in zijn Canon te proppen. Vergeefse moeite vinden wij. Geen enkele foto, hoe goed ook, kan deze schoonheid weergeven.
We krijgen kippenvel en terwijl we met onze emoties terug gaan in de tijd, toeteren buiten automobilisten zich een weg door de chaos. Hoe is het mogelijk ! Hoe is het in godsnaam mogelijk ! Het schrille contrast tussen de wanorde buiten en dit welomlijnde geheel maken het masker nog adembenemender.
Wanneer we na 10 dagen, Egypte voorgoed onder ons laten, voelen wij ons vreemd te moede. Het is alsof we de grenzen van tijd en ruimte hebben doorbroken, alsof we hier maanden zijn geweest en tegelijk ook helemaal niet.
Egypte, zo prachtig maar ook zo vies. Zo vol beschaving, maar ook zo onontwikkeld. Het beeld uit onze geschiedenis lessen is vervaagd, verdrongen door een nieuw onthutsend gegeven: onder ons ligt een wereld dat wij, spits alle literatuur, nooit zullen kunnen vatten.
Misschien dat onze reis juist daarom zo onvergetelijk werd.
Ik wou de piramiden zien en de vele tempels die Egypte rijk is. We waren nog aan niets of niemand gebonden en dus spaarden we ons te pletter voor datgene wat we – zo dachten we toen althans – nooit of te nimmer in ons latere leven zouden kunnen ondernemen. Het had zoiets van “Napels zien en dan sterven”. Al kozen wij dus voor Caïro.
Wisten wij veel dat een reis naar Egypte jaren later spot goedkoop zou worden waardoor massatoerisme op gang kwam en dat het land daarna opgeschrikt zou worden door terreuraanslagen waardoor je vandaag de dag werkelijk aan dumpingprijzen naar Egypte kan.
Toch ben ik blij dat we ons toen te pletter hebben gespaard voor een reis die we ons nauwelijks konden permitteren. Egypte was nog ongerept, de Nijl afvaren kon nog zonder er met de cruiseboot in de file te staan. Er waren souvenirs, jawel … maar de stalletjes waren schaars, zeer schaars.
Ik denk niet dat ik ooit nog naar Egypte terugkeer. Het prachtige, ongerepte beeld dat ik er van heb, wil ik niet verpesten door andere …

Maar ik wil mijn beeld van toen wel met jullie delen want wie weet inspireert het jullie om alle terreur ten spijt, toch eens een reis erheen te maken. De Egyptenaar verdient jullie aandacht. Al was het maar omdat zijn verleden zo groots is geweest

Mijn verslag van toen heeft een heel andere stijl dan die die ik nu hanteer. Ik had ook overduidelijk nog helemaal geen reiservaring. Maar ik hoop toch dat jullie er zullen van genieten.
Het andere Egypte (anno 1986)
Egypte, het land van de vruchtbare Nijl dat ons reeds
van op de schoolbanken vertrouwd in de oren klinkt, ligt onder ons. We
hebben er een vermoeiende vliegreis met veel té lange halte te Parijs
opzitten. Caïro by night lijkt indrukwekkende groot en dat is ook zo.
Wanneer we vaste grond onder onze voeten voelen, snuiven
we de warme nachtlucht op. Alles verraadt dat we in een ander
werelddeel zijn terechtgekomen. Buiten voelen we verrassend veel ogen op
ons gericht. Het is al een heel eind over middernacht wanneer kleine,
groezelige kinderen ons om baksjiesj vragen. Baksjiesj, de achtste plaag
van Egypte zoals in onze reisbrochure te lezen staat.
De brochure waarschuwt ons ook voor mogelijke
wijzigingen in het reisprogramma. In Egypte lijkt het moeilijk, zo niet
onmogelijk volgens planning te reizen. Ook dat ondervinden we meteen
wanneer onze gids ons vertelt dat we niet naar het hotel rijden maar in
de buurt van de luchthaven blijven voor de twee uur latere vlucht naar
Aswan. We voelen ons kleverig en vermoeid en trachten in de toiletten
van een nabij gelegen hotel onze gezichten in de juiste plooi te
trekken.
Vijf uur later staan we in Aswan waar een tweede
verrassing ons te wachten staat. Wie de tempels van Aboe Simbel wil
zien, kan best meteen het volgende vliegtuig instappen want de rest van
de reis zullen we daar geen kans meer toe krijgen.
Met de air van een habitué stappen we de Boeing 737 in,
té verdoofd om nog enige vorm van vliegangst te voelen. We zetten ons
links bij een raampje om zo bij de landing een glimp van de rotstempels
te kunnen opvangen.
Het geronk der motoren, de eindeloze woestijn met haar
grillige figuren doen ons wegdommelen. Met een schok schieten we
klaarwakker wanneer plots te midden de woestijn de in 1968 door de
UNESCO verplaatste rotstempels, opdoemen. We zien tranen van ontroering
in elkaars ogen. Het is zo mooi, zo onbeschrijfelijk mooi. Camera’s
flitsen onophoudelijk.

Wanneer we drie uur later in onze kajuit voor de spiegel
staan, zien we er erbarmelijk uit. Ons gezicht valt niet meer bij
elkaar te puzzelen. Alleen de slaap kan ons nog redden.
6u30. Buiten is het al volop dag. Voor een tocht per
feloek op de Nijl moeten we doorheen de tuinen van het oude Cataract
hotel te Aswan wandelen. Het hotel ziet er in zijn Engelse stijl hoogst
aantrekkelijk uit. We wanen ons te midden een Agatha Christie. In onze
verbeelding zien we Hercule Poirot door de gangen wandelen.
Ons reisgezelschap wordt verdeeld over drie feloeks maar
daar ontstaat heibel rond. Met een ongelooflijke radheid van tong,
beginnen de zeilers de redetwisten. Na heel wat moeite begrijpen we wat
er aan de hand is. Het aantal inzittenden is té groot voor de onstabiele
feloeks. Een vierde boot wordt erbij gehaald en betaald.
We zetten ons recht om een comfortabeler plaatsje te
zoeken maar tot onze verbazing worden slechts twee reisgenoten in de
ruime boot gehesen. De twist schijnt slechts spel geweest te zijn om ons
voor vier boten te laten afdokken. Terwijl de zo goed als lege feloek
rustig weg dobbert, begint de onze vervaarlijk over te hellen.
Een warme bries strijkt door onze haren terwijl we vol
verlangen uitkijken naar het volgende punt op onze agenda : een bezoek
aan het Lord Kitchener-eiland. We wandelen doorheen de botanische tuin
op de voet gevolgd door een knaap die ons per se een scarabee wil
aansmeren.
Een alleraardigste kerel komt toegesneld en stuurt de
opdringerige knaap wandelen. Hij plukt een bloem en reikt ze me aan. Ik
voel me gecharmeerd tot hij om baksjiesj zeurt. Omdat we niet zo direct
pasmunt bij hebben, bied ik hem sigaretten aan. Hij weigert, hij wil
geld en blijft net zolang aandringen tot we weer bij de feloeks zijn.
Wanneer blijkt dat hij geen fooi krijgt, moet ik mijn bloem braaf terug
geven. De Egyptenaar zwicht niet voor charmes, wel voor baksjiesj.
Eens terug in de kajuit van onze Nijlboot, horen we de
motoren op gang komen. Ze zetten zich in beweging voor een cruise op de
Nijl. We varen richting Edfoe en houden halt te Kom Ombo voor een bezoek
aan de dubbeltempel van Sobek en Horus. Het is er snikheet en het zweet
breekt ons helemaal uit als we overstelpt worden door uiterst
bedrijvige venters die ons kleurrijke galabia’s willen verkopen. Ze
rennen achter ieder van ons aan en wie enige blijken van interesse
toont, krijgt prompt een hemd over het hoofd getrokken.
’s Avonds – wanneer de boot is aangemeerd te Edfoe –
genieten wij aan dek van een heerlijke zomeravond. Het duister valt
vroeg en massa’s muggen dansen rond de lampions. Ze laten ons gelukkig –
nu nog – met rust. Bij de aanlegsteiger staan een paar koetsiers met
gammele calèches vruchteloos te wachten op een klant.
’s Anderendaags trekken we te voet door het dorpje Esna
voor een volgend tempelbezoek. Wat we zien grenst aan het ongelooflijke.
Hier is het armoede en ellende troef. De straatjes zijn smal en vies en
de stank is haast ondraaglijk. Is dit het Egypte uit onze
geschiedenisboeken? Het geschenk van de Nijl?
Hoe groot is de tegenstelling tussen de oude prachtige
tempels die een weergaloze beschaving verraden en deze mensonterende
ellende. We hebben ruim de tijd en terwijl kinderen ons smekend
aankijken, ploeteren we dieper het dorpje in. De troep wordt groter, de
walm ondraaglijker. Overal slapen mensen in vuile met lorren bedekte
bedden. Als iemand van ons zijn fototoestel boven haalt, verschijnt als
bij toverslag een politieagent.
Hij wijst ons vriendelijk doch nadrukkelijk een weg
doorheen nauwe steegjes. Hij wandelt snel en gunt ons geen tijd
nieuwsgierig rond te kijken. De overheid wil deze toestanden duidelijk
niet aan zijn toeristen tonen. Terug bij de tempel neemt de man afscheid
van ons en drukt ons de hand. Zijn ogen puilen uit naar onze
sigaretten. Als we ze hem aanbieden, weigert hij stoer.
Sterk onder de indruk lopen wij naar onze boot terug, op
de voet gevolgd door bedelende kinderen. Zij maken kriebelende
bewegingen in hun groezelige handjes waarmee ze willen vragen of wij een
balpen voor hen hebben.

Het is duidelijk dat nogal wat Egyptenaren in armoede leven. Daarom ook dat zij – als het even kan – zo graag een graantje mee willen pikken. Dat merken we ook in de Vallei der Koningen. In de verzengende hitte bezoeken we er een aantal koningsgraven zoals onder andere dat van Toetankhamon.
Niet alle koningsgraven zijn verlicht. Maar daar heeft een man in galabia wat op gevonden. Om een zakcentje bij te verdienen heeft hij zich met een roestige emmer en een oud stuk spiegel voor de ingang van een onverlicht graf geïnstalleerd. Zijn spiegel staat bovenop de emmer zodanig naar de zon gericht dat de zonnestralen tot diep in de grafkamer binnenvallen.
Op die manier krijgen we toch het graf te zien. In ruil voor baksjiesj natuurlijk. Maar oh jee wat een ramp! Een man uit ons gezelschap is onwel geworden door de loden hitte en zwijmelt recht tegen de emmer aan waardoor het toch al zo kleine stuk spiegel met een rinkelend lawaai van de emmer dondert. De spiegel is onbruikbaar nu. Zelfs met extra baksjies en duizend excuses is de man ontroostbaar.

Een verzengende hitte in de Vallei der Koningen
Onze hoeveelheid filmrolletjes vermindert drastisch
naarmate we verder de Nijl afvaren. Nu eens zijn de oevers dor en droog,
dan weer staan ze vol weelderige palmbomen. Het is een adembenemend
zicht waar we maar niet genoeg van krijgen.
Tegen de avond leggen we aan te Luxor. Vrijwel
onmiddellijk gekomen calèches aangereden. We willen echter de benen
strekken en verkiezen een rustige wandeling langs de kade. Rustig ? Nou
ja, als we de koppig volgende voerman even weg denken, gaat het wel.
Wat verderop staan twee mannen linnen te strijken… Onze voerman ruikt zaken en stopt voor een rommelige pand dat hij fier als zijn winkel voorstelt. Het kost ons heel wat moeite eer hij weer verder wilt. De straten worden smaller, rommeliger, viezer. Met de calèche kunnen wij er niet eens meer in. Er hangt een doordringende geur van urine en de miniatuurwinkeltjes zijn zo smerig en grauw, dat we niet eens kunnen onderscheiden wat er te kopen valt.
Terug bij de kade ontdekken we een oude boot dat als papyrusmuseum is ingericht. Op dit uur van de dag zijn er geen bezoekers en de opzichter lijkt blij verrast met onze aanwezigheid. Hij troont ons mee naar een stel oude badkuipen waarin papyrusplanten liggen. Als een volleerd pantomime speler toont hij ons de verschillende stappen bij de bewerking van papyrus.
Na de “vertoning” worden we naar boven geduwd waar een soort winkelruimte is ingericht. Om de verkoop te stimuleren biedt hij ons een verfrissing aan. De karkadee is inderdaad koel, maar op het beduimeld glas staan zoveel lippen dat we het wijs achten onze verfrissing discreet in een plantenbak te gieten.

Wanneer we de bus opklauteren om de reusachtige tempels van Karnak en Luxor te gaan bekijken, komt een onooglijk jongetje naar ons toe geslenterd. Hij zit er hoogst aandoenlijk uit. Een dame uit ons gezelschap voelt haar hart weg smelten en geeft het jongetje een paar oude sandalen.
Het gezichtje klaart op maar plots komt een heel leger straatrakkers aanzetten, de zoom van hun galabia’s tussen de tanden gestopt. Een kleine straatoorlog wordt ontketend. Pas als die uit de hand dreigt te lopen komt een slungelachtige man er zich mee bemoeien.
Met stenen gooit hij de vechtersbazen uit elkaar. De bengels stuiven uiteen. Het jongetje blijft alleen achter, één sandaal stevig tegen zich aangedrukt, de andere is spoorloos. Met wanhopige blik kijkt hij in onze richting.
Terwijl de bus zich in beweging zet ,zien we hoe het kereltje hartverscheurend begint te huilen. Onze “milde schenkster” huilt bijna mee. Ze voelt zich eindeloos schuldig.

Karnak

Luxor
Telkens we met de bus op uitstap gaan, liggen de venters op vinkenslag. Het duurt ook altijd eindeloos eer we vertrekken of mogen uitstappen. Het is een tactische zet van de chauffeur om de bevriende kooplieden ruim de kans te geven een verscheidenheid aan beeldjes en sieraden aan de man te brengen.
Met wijde gebaren en zenuwachtige stemmen proberen zij hun waar te verkopen. Soms echter zeggen zij helemaal niets en kijken zij ons met zulke weemoedige ogen aan dat we capituleren. We kopen, niet omdat we dat willen, maar omdat smekende ogen er ons toe dwingen. Zo ook in Thebe. De dodenstad aan de overkant van de Nijl ligt in de blakende zon.

We moeten af pingelen en pas als we het onding kunnen kopen voor drie pond, schuiven we het raampje open. Smoezelige vingers tasten in het rond tot ze bankbiljetten voelen. Met schichtige bewegingen brengt de man het geld naar hoofd en borst en kust het.
Het beeldje lijkt nergens naar en even later zien we hoe een reisgezel een sigaret weggeeft in ruil voor eenzelfde soort sarcofaagje. Ondanks ons grandioos gepingel, voelen wij ons nog bedrogen.

Het statige beeld der piramiden zoals wij dat kennen uit
onze schoolboeken, komt op prettige wijze tot leven wanneer we de
woestijnvlakte te Gizeh komen opgereden.
Er heerst een gezellige drukte. Jongens in lange witte
hemden, lopen heen en weer en bieden ons beduimelde prentkaarten te koop
aan. Kamelen liggen, geknield en met kleurrijke dekens getooid, te
wachten om gefotografeerd te worden.
Wie dat stiekem doet, wordt prompt achterna gezeten door
een opdringerige kameeldrijver die baksjiesj wilt.
We klauteren gebukt
de indrukwekkend grote piramide van Cheops in. Het is er aardedonker en
benauwd. Een ietwat corpulente heer sukkelt voor ons het smalle
kippenladdertje op terwijl hij in onvervalst Antwerps jammert : “Waar
zijn ze die kerel in godsnaam komen steken !”.
De grafkamer, in het hartje van de piramide, stelt
weinig voor. Het is er kaal en broeierig heet. Terwijl we even op adem
komen, vragen we ons af hoe ze zo’n slordige 5000 jaar terug de
loodzware sarcofaag in hemelsnaam naar boven hebben gekregen. We staan
er verstomd van. Met behulp van een kwieke gids en een vetkaarsje staan
we in een mum van tijd weer buiten. De hitte doet onze doornatte kledij
snel opdrogen.

Caïro, de wereldstad met de 1000 minaretten, lijkt ons één grote vuilnisbelt. Huizen liggen er bij alsof hier gisteren een aardbeving gebeurde. Onbruikbare, niet te definiëren rommel, wordt gewoon op buurmans dak gegooid.
Midden in het centrum staat een kudde schapen, de ruggen met roze verf gemerkt, te wachten om geslacht te worden. In een zijstraat zien we kippen in een vieze brij rond pikken. Mannen hollen, zoals in comedy-capers-filmpjes, achter overvolle bussen aan. Auto’s zigzaggen zich luid toeterend een weg doorheen de heksenketel.
We zijn blij als we heelhuids de bus kunnen verlaten om onder een brandende zon de citadel van Saladin te beklimmen voor een bezoek aan de moskee van Mohammed Ali. Onze reisgids schrijft dat een Oosters sprookje zich voor onze ogen zal ontrollen. We zijn nieuwsgierig maar worden enigszins ontgoocheld omdat we er geen flauw benul van hadden dat sprookjes zo stoffig kunnen zijn.
Een reisgezel komt naar ons toe en toont ons een prentkaart waarop het het interieur met fonkelende kroonluchter staat afgebeeld. “Deze prent is al jaren oud”, zegt hij met overtuigende stem. Op onze vraag waarom hij daar zo zeker van is, steekt hij zijn wijsvinger in de lucht. Boven onze hoofden hangt de enorme kroonluchter bedekt met een ongehoord dikke stoflaag. We knikken begrijpend en banen ons doorheen de stoffige mist en langsheen slapende mannen een weg naar buiten.
Ook het Egyptisch Nationaal Museum is een stoffige en rommelige toestand. Beeldengroepen, sarcofagen, zonneboten, … staan kriskras door elkaar. Onze gids vertelt ons dat, toen het museum in 1900 geopend werd, men er geen idee van had hoeveel kunstschatten er nog zouden gevonden worden. De collectie groeide echter enorm aan en zorgde voor een schrijnend plaatsgebrek. Vandaar de wanorde. We knikken begrijpend maar merken toch op dat een stofdoek ook al wonderen zou doen.

Wanneer we echter de eerste verdieping bereiken en we overstelpt worden door de wereldberoemde schatten uit het kleine rotsgraf van Toetankhamon te Thebe, vergeten we de rommel. Wat we zien valt niet te verwoorden: gouden schrijnen, bedden, vazen, sieraden,…
Het is allemaal even schitterend.
En dan is er het dodenmasker, de gouden pracht van de te jong gestorven farao. Iemand wringt zich in een onmogelijke bocht in een poging dit meesterwerk in zijn Canon te proppen. Vergeefse moeite vinden wij. Geen enkele foto, hoe goed ook, kan deze schoonheid weergeven.
We krijgen kippenvel en terwijl we met onze emoties terug gaan in de tijd, toeteren buiten automobilisten zich een weg door de chaos. Hoe is het mogelijk ! Hoe is het in godsnaam mogelijk ! Het schrille contrast tussen de wanorde buiten en dit welomlijnde geheel maken het masker nog adembenemender.
Wanneer we na 10 dagen, Egypte voorgoed onder ons laten, voelen wij ons vreemd te moede. Het is alsof we de grenzen van tijd en ruimte hebben doorbroken, alsof we hier maanden zijn geweest en tegelijk ook helemaal niet.
Egypte, zo prachtig maar ook zo vies. Zo vol beschaving, maar ook zo onontwikkeld. Het beeld uit onze geschiedenis lessen is vervaagd, verdrongen door een nieuw onthutsend gegeven: onder ons ligt een wereld dat wij, spits alle literatuur, nooit zullen kunnen vatten.
Misschien dat onze reis juist daarom zo onvergetelijk werd.
Reacties